Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.

Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas.

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Johannes.



donderdag 14 december 2017

Fallen flowers, thick leaves (2016), documentaire van Laetitia Schoofs


Fascinerende portretten van Chinese vrouwen en hun seksuele leven

Filmmaakster Laetitia Schoofs, die in 2011 de korte documentaire Nadia Ticks maakte over de twaalfjarige Nadia tijdens haar eerste dag in de brugklas, vervolgt met de fascinerende lange documentaire over de seksualiteit van Chinese vrouwen. In een vijftal portretten waarin alle vrouwen op hun eigen manier met daarmee worstelen, wordt duidelijk dat hun problemen veel te maken hebben met de tumultueuze Chinese geschiedenis waarin de traditionele familiewaarden door de Culturele Revolutie door elkaar geschud werden, terwijl de snelle economische groei tegenwoordig weer andere opgaven aan de Chinese vrouw stelt.

Schoofs opent met de gescheiden Hong Tao die de guqin speelt en daarbij zingt. Later in de documentaire vertelt ze heel openhartig over haar rusteloze leven voordat ze het muziekinstrument vond, dat haar de rust gaf die ze eerder in haar huwelijk niet kon vinden. Om te voorzien in de kosten van haar levensonderhoud en dat van haar zoon, nam ze haar vroegere werk als architect weer op, maar voelde zich tegelijk schuldig ten aanzien van haar zoon. De romantische liefde is volgens haar niet de enige bron van geluk. Ze heeft zich bekeerd tot het boeddhisme en bezoekt zieken, hetgeen haar vervulling geeft.

Lihua (zie poster) is geboren in het jaar van de Culturele Revolutie en ook alleen na de dood van haar man, maar wil het liefst weer een partner. Ze consulteert psychologe Zhen in het ziekenhuis voor vrouwen en kinderen over haar gebrek aan seksuele gevoelens, die tijdens de Culturele Revolutie van ondergeschikt belang waren. Van haar moeder heeft ze daarover ook niets geleerd. De laatste zegt dat de vrouw vroeger waardeloos was ten opzichte van de man. Lihua haalde haar kennis over de romantische liefde uit Engelse roman zoals Jane Eyre, maar kon die in haar huwelijk niet vinden. Haar relatie verslechterde nadat haar man in de tijd van economische hervorming manager werd en een drankprobleem kreeg die hem uiteindelijk het leven kostte. Samen met haar zoon moest ze door. Ze helpt hem met het schoonmaken van zijn kamer en vraagt over zijn huwelijksplannen. Inmiddels heeft ze zelf ook contact met een vroegere klasgenoot, met wie het aardig lijkt te klikken. De families zitten samen aan een lunch in het park. 

Wen-Wen is tweeëndertig jaar, sinds drie jaar vrijgezel en economisch onafhankelijk, hetgeen problemen oplevert om een geschikte man te vinden. Ze is veel op reis naar het buitenland en heeft daar bevrijdende ervaringen opgedaan, zoals naaktzwemmen in Griekenland. Ze heeft hoge verwachtingen over een gelijkwaardige relatie, maar er zijn nauwelijks mannen te vinden die daaraan voldoen. Haar moeder maakt zich zorgen over haar toekomst en vindt dat ze minder hoog van de toren moet blazen. Als ze hoort dat haar dochter een nieuwe relatie heeft, wil ze meteen dat zij contact maakt met de familie van haar vriend, maar Wen-Wen wil het eerst allemaal aanzien.

Hua Ling is actief in de beweging Bcome die strijdt voor meer rechten voor vrouwen en dat samen met andere leden zingend uitdraagt in de metro, hetgeen op positieve reacties van mannen komt te staan. Zelf deed ze op haar negentiende haar eerste seksuele ervaring op die tot een geslachtsziekte leidde, waar ze zelf de schuld van kreeg. In groepsgesprekken met andere leden van Bcome praat men openhartig op seksualiteit.

Christy tenslotte is feministe en naaktmodel en zegt dat ze twee personen in zich heeft die tegengesteld zijn aan elkaar. Net zoals veel andere jongeren gedraagt ze zich heel welopgevoed bij haar familie maar daarbuiten gaat ze haar eigen gang.  

Hier de trailer op YouTube, waarin Lihua met verbazing kijkt naar de seksspeeltjes die psychologe Zhen aan een groep vrouwen uit haar praktijk demonstreert. Deze zijn belangrijk om kennis op te doen over de eigen seksualiteit en de eigen behoeftes te leren kennen.

Gustaaf Peek over Verzet!, VPRO Boeken, 26 november 2017


Nee zeggen is een constructieve daad

Schrijver Gustaaf Peek (Haarlem, 1975) heeft na zijn roman Godin (2014) een pamflet geschreven waarin hij een pleidooi doet voor het communisme.

Jeroen van Kan brengt de uitzending over de laatste Boekenweek in herinnering waarin Peek het verboden vruchtenboek Het communistisch manifest meegenomen had. Verzet! is daarvan een uitvloeisel, al zal de inhoud niet door iedereen gedragen worden.
Peek zegt dat dit misschien op dit moment nog niet zo is. Het woord communisme bestaat alweer even en heeft niet zo’n goede connotatie. Hij schreef dit pamflet om zijn verlangen in woorden te vatten. Dat ziet hij als een uiting van onverzettelijkheid. Hij laat daarmee zien dat we er nog zijn, dat we nog niet helemaal ingekapseld zijn door het kapitalisme dat de natuurlijke vijand is van het communisme.

Van Kan vraagt hem naar de nationalisering van de productiemiddelen. Streeft hij staatseigendom na?
Peek zegt dat het begrip communisme vol contradicties zit. Dat komt door de Koude Oorlog en totalitaire systemen in Rusland en China die zich de term communisme hebben toegeëigend. Hij is daar kritisch over. De vraag is van wie de productiemiddelen zijn en volgens het communisme zijn ze eigendom van het volk.

Van Kan vraagt of er geen sprake kan zijn van pervertering van de uitvoering.
Peek stelt dat het onmogelijk is om het communisme in een dictatuur uit te voeren. Het gaat immers over het collectieve streven naar een egalitaire samenleving, waarin kennis, inkomen en macht op gelijkwaardige wijze verspreid zijn. In het communisme zijn we allemaal even veel waard. De eigenwaardigheid leidt tot rechtvaardigheid. Het gaat hem in zijn pamflet niet over de staatsinrichting maar om een collectief idee dat we samen moeten vormgeven.  

Van Kan vraagt zich af of zoiets denkbaar is.
Peek antwoordt dat het idee leeft dat er geen alternatief is voor de huidige maatschappelijke orde, maar dat de werkelijkheid veranderlijk is. Elke generatie meent dat men de wijsheid in pacht heeft. Peek hoopt dat als we straks op onze maatschappij terugkijken met verbazing over het feit dat we zo konden leven.

Van Kan vraagt wat het meest verbazingwekkend is.
Peek antwoordt dat we alles aan de markt hebben overgelaten. De farmaceutische industrie dicteert de prijs van medicijnen.

Van Kan vraagt of dat laatste niet een uitwas kan zijn het kapitalisme.
Peek zegt dat alles wat we tot ons nemen door de filter van het kapitalisme is gegaan. Hij zelf heeft ook niet de wijsheid in pacht, maar wil in ieder geval kritisch kijken naar hetgeen ons overkomt.

Van Kan zegt dat Occupy uit elkaar gevallen is en dat Bernie Sanders ook niet het verschil kon maken, maar dat hij desondanks toch vasthoudt aan het communistisch ideaal.
Peek antwoordt dat het communisme een vanzelfsprekend is en dat we geen eilanden zijn, zoals door het kapitalisme wordt voorgesteld. In onze maatschappij bestaan op het gebied van onderwijs, stemrecht en zorg al communistische waarden, maar het kapitalisme stelt die als afschrikwekkend voor omdat het alleen winstmaximalisatie nastreeft. Daardoor creëert het behoeften die we helemaal niet nodig hebben. Nee zeggen daartegen is een constructieve daad. 

woensdag 13 december 2017

Filmrecensie: Blue ruin (2013), Jeremy Saulnier


Vete tussen families van kwaad tot erger

De Amerikaanse filmregisseur Jeremy Saulnier (1976) staat bekend om zijn harde actiefilms en Blue ruin vormt daarop geen uitzondering. Deze film over de zwerver Dwight Evans die wraak neemt op de man die zijn ouders vermoord heeft, is een aaneenschakeling van geweldsscènes, die van kwaad tot erger gaan. Vanwege het vele bloed dat er vloeit is de film door Canvas aangeraden voor zestien jaar en ouder.

De film opent met beelden uit het zwerversleven en wel om te beginnen met een bad dat Dwight neemt in het huis van een gezin dat op datzelfde moment thuis komt zodat Dwight in zijn nakie door een raam het huis uit vlucht en naar de oude auto gaat waar hij in leeft. We zien dat hij zich in leven houdt met flesjes die hij inlevert voor het statiegeld maar ook steelt hij uit tassen op de kermis en uit auto’s die voor een bar geparkeerd staan. Dwight is niet een gemiddelde zwerver maar een man die na de moord op zijn ouders aan lager wal is geraakt, zoals blijkt uit het feit dat hij in zijn auto ook een boek leest.

Een aanhouding door de politie doet het ergste vrezen, maar de vrouwelijke brigadier heeft het beste met hem voor. Ze vertelt hem dat de dader van de moord op zijn ouders vrijgelaten is en wil het liefst dat hij zich niet in de omgeving vertoont waar zijn ouders ooit woonden. De behoefte aan wraak is echter groter bij Dwight dan het leven voortzetten zoals hij dat op dat moment leidt. Hij schrijft een ansichtkaart aan zijn zus Sam, die nog altijd in de oude omgeving woont, dat hij eraan komt en arriveert net op tijd bij de gevangenis om te zien dat Wade Cleland daar door zijn familie verwelkomd wordt. Hij volgt hun auto naar een café en steekt Wade op de wc neer, waarna de poppen aan het dansen zijn.

Om zich voor zijn zus te vertonen, scheert hij in het ouderlijk huis zijn baard af en knipt zijn haren, waardoor hij er weer uitziet als een doorsnee Amerikaan. Hij ontmoet zijn zus net op het moment dat ze de deur uitgaat naar haar werk en de zorg voor haar twee kinderen heeft overgelaten aan het kindermeisje. Als haar broer vertelt over de moord op Wade, die mogelijk niet de moordenaar van hun ouders was, haasten de twee zich terug naar het huis van Sam en zien dat de kinderen in ieder geval niet de dupe zijn geworden van een wraakactie door de familie Cleland. Dwight brengt zijn zus er wel toe om het huis te verlaten en zich met de kinderen elders te vestigen zolang de zaak nog niet opgelost is. Zelf verschanst hij zich in het huis en wacht in het donker af tot de broers van Wade zullen verschijnen. Op dat moment probeert hij met een pijl in zijn been met hun auto te vluchten maar rijdt daarbij broer Teddy aan die hij in de kofferbak dumpt, voordat hij wegrijdt. Omdat het niet lukt de pijl zelf te verwijderen, gaat hij naar een ziekenhuis maar vlucht daar weer weg na een geslaagde behandeling van de wond.

In een volgende fase zoekt hij contact met zijn oude vriend Ben Gaffney die wel een wapen voor hem heeft. Met dat wapen op Teddy gericht, hoort hij de man uit over de moordenaar van zijn ouders. Dat bleek diens vader geweest te zijn, die wraak nam op het feit dat de vader van Dwight een relatie was aangegaan met de moeder van de Clelands. Het gesprek ontaardt in een gevecht waarbij Teddy het onderspit delft en door Dwight begraven wordt in de buurt van het buitenverblijf van zijn ouders dat inmiddels door de Clelands is ingenomen en waar Dwight tenslotte zelf ook aan zijn eind komt.

Hier de trailer.

Rodaan Al Galidi over Duizend-en-één nachtmerries, VPRO Boeken, 26 november 2017


In Nederland moet een kanarie om vier uur kraaien.

Rodaan Al Galidi (1971) is schrijver en dichter maar heeft daar geen hoge pet van op. Hij speelt liever op een muziekinstrument of luistert ernaar. Vorig jaar kwam zijn roman Hoe ik talent voor het leven kreeg uit, dit jaar gevolgd door de verhalenbundel Duizend-en-één nachtmerries. Jeroen van Kan praat met de Irakees die uitgesproken, weinig geaccepteerde meningen heeft en daarom een genot is om naar te luisteren.

Van Kan vraagt meteen wat de verschillende verhalen, buiten de persoon van de schrijver, bij elkaar houdt.
Al Galidi zegt dat de lezer niet dient na te denken maar verder moet lezen. Zijn verhalen doen geen appèl op het intellect en de lezer moet er niet door veranderd willen worden. Men dient juist voorzichtig te zijn met het opgeladen worden met woorden, want daar zijn slechte voorbeelden van, zoals Mein Kampf, dat veel over de toonbank gaat.

Van Kan vraagt daarop waarom hij zich dan inspant om zijn ideeën op papier te zetten.
Al Galidi antwoordt dat hij vaak niets te doen heeft en dan maar gaat schrijven. Muziek en sport zijn belangrijker activiteiten voor hem. Schrijven doet hij om wat geld te verdienen want acht uur per dag werken lijkt hem niets. Van huis uit is hij civiel ingenieur en schrijven is een hobby. Een mooie zin komt toevallig naar boven en doet hem nadenken of hij die ergens gelezen heeft. Zijn lezers zijn vaak minder te spreken over zo’n zin omdat die te ingewikkeld is. Hij houdt van kinderboeken met zwart en witte karakterschetsen van vlees en bloed en verder vindt hij alleen de negentiende schrijvers van belang. In de levensduur van zijn eigen boeken heeft hij geen hoge dunk. Die zullen snel vergeten worden. Hij vindt geluid belangrijker en was musicus geworden als hij talent daarvoor gehad had.

Van Kan haalt de uitspraak van hem aan dat zijn verhalen niet verder dan twee centimeter diep gaan.
Al Galidi antwoordt dat ze soms wel een halve centimeter dieper gaan. Veel van de inhoud heeft hij afgepikt van zijn personages. Hij luistert en kijkt graag, maar heeft geen goed geheugen, waardoor situaties steeds weer nieuw zijn. Hij haalt een verhaal aan over een buitenlandse vrouw die een Nederlandse kip krijgt van een boer, die de culturele botsing tussen de twee culturen symboliseert. Zo’n kip weet net als een Nederlandse hond meer van ons met de tijd verbonden leven dan een advocaat in Bagdad. Voor een buitenlander is onze levensstijl, waarin we ook in onze persoonlijke sfeer bedrijfsmatig handelen die burn-outs veroorzaakt, vervelend maar er valt wel onder te werken. 

Dat doet Van Kan denken over een verhaal van een Amsterdammer van buitenlandse afkomst die op een eiland toch weer zijn eigen land van herkomst probeert vorm te geven.
Al Galidi vraagt zich af hoe een buitenlander zich aan onze levensstijl kan aanpassen en of hij daartoe moet veranderen. Hij moest meer veranderen dan Nederlandse emigranten eerder deden, zoals in de Verenigde Staten en Canada. Op straat dient men zich anders te gedragen dan thuis. Hij vertelt dat hij in een azc woonde en met een groep Arabieren naar de supermarkt ging, hetgeen zo bedreigend was dat zelfs de katten in de straat van de vensterbank verdwenen. In Nederland moet een kanarie om vier uur kraaien. Het systeem heeft twee gezichten en geeft aan wat men wel en wat men niet moet doen. Zelf opteert hij voor het eerste. In Irak zou hij hetzelfde systeem maken als hier. Dan zou dat het mooiste land in het Midden Oosten zijn. Een crimineel volgt hier de regels beter op dan een advocaat in Bagdad. De eerlijkheid hier, of die nou uit angst of geloof voortkomt, komt hem voor als een wonder. Hij is in de loop van de tijd zo Hollands geworden dat hij zich op een boekenbeurs in Algerije ergerde aan het feit dat zijn lezing tot een later tijdstip werd uitgesteld.

Van Kan eindigt het gesprek met de opmerking dat de verhalen wel dieper gaan dan twee en een halve centimeter.

Hier het verhaal Slaap lekker op de site van de uitgeverij.

dinsdag 12 december 2017

Nureyev – dance to freedom (2015), documentaire van Richard Curson Smith


Spannende reportage over de sprong naar de vrijheid

Documentairemaker Richard Curson Smith richtte zich na een fascinerend portret van de Britse schrijver Ted Hughes, op het leven van de Russische danser Rudolf Nureyev. Hij richt zijn aandacht vooral op de tijd dat Nureyev (1938-1993) naar het Westen ontsnapte. Dat was in 1961 op het hoogtepunt van de Koude Oorlog. Ooggetuigen vertellen hoe ze een en ander beleefden en door dramatisering van de gebeurtenissen rond Nureyev, vertolkt door Bolsjoj danser Artem Ovcharenko, maken we alles direct mee. De tijdsaanduidingen, die aangeven hoeveel dagen het nog is voor de ontsnapping plaatsvond, zorgen voor extra spanning in het portret. Tenslotte horen we ook nog over politieke motieven die ten grondslag zouden liggen aan de feitelijke gebeurtenissen.

Richard Curson Smith begint zeven maanden voor de gebeurtenis plaatsvond die op 16 juni 1961 als een schokgolf door de wereld ging. Sergej Vikoelov, danser bij het Kirov ballet was op dat moment al bewust van de enorme expressieve techniek van Nureyev. Zijn vrouwelijke collega Alla Osipenko zegt dat men in de groep groot respect had voor choreografe Natalia Dudinskaya maar dat Nurujev een slechte verhouding had met de leidende danser Konstantin Sergejev. Zo weigerde hij na de repetitie de vloer aan te vegen en deed dit pas na druk op hem van zijn collega danser Yuri Slovjev. De vrouw van de laatste zegt dat Nuruyev anders dan Yuri geen enkel geduld had en zijn eigen gang ging. Een vriendin van Nuruyev zegt dat hij het liefst naar Parijs wilde.

Die mogelijkheid deed zich in 1961 voor de eerste keer voor. In de Koude Oorlog wilden de Russen ook hun artistieke en culturele superioriteit bewijzen. Voor vertrek was er nog een vergadering over het gedrag van Nureyev die Yuri beledigde maar er met een berisping vanaf kwam. De groep werd zwaar beveiligd onder leiding van Vitaly Strizhevsky, die heel wat uit te staan kreeg met Nurujev die in Parijs zijn kans schoon zag om van de vrijheid te genieten. Meteen al maakte Nurujev contact met het Franse gezelschap, waaronder Pierre Lacotte. Nurejev kreeg toestemming om met hen te gaan dineren, maar zijn kamergenoot Yuri moest dan ook mee. Na een spetterend optreden ontmoette Nureyev de knappe Claire Saint in het Franse gezelschap. Zij was weliswaar verloofd maar meteen verliefd op de innemende Nureyev. Omdat de escapades van Nurejev Strizhevsky boven het hoofd groeiden werd zijn onaangepaste gedrag aan Moskou gerapporteerd. Bemiddeling door de Russische ambassadeur kon voorkomen dat Nuruyev werd teruggestuurd en dat bespaarde Sergejev veel kopzorgen over de invulling van de rollen. Strizhevsky was echter woedend dat Nurujev niet inbond.

De spanning wordt opgevoerd als Nurujev zich op een avond door Yuri laat masseren, maar vervolgens uit de kamer wordt gegooid. Strizhevsky ziet daarin een mogelijkheid om Nuruyev uit te schakelen op grond van homoseksueel gedrag. Als het gezelschap zich opmaakt om op Le Bourget naar Londen te vliegen, krijgt Nuruyev te horen dat hij naar Moskou gaat. Lacotte roept Saint op, die de doodsbange Nuruyev ziet en naar de politie stapt. Na een korte worsteling met KGB agenten, die hem al de hele tijd in Parijs gevolgd waren, weet Nuruyev zich te bevrijden en wordt afgevoerd naar een appartement waar hij zich dood verveelt, terwijl de Russische leider Chroetsjov alles op alles wil stellen om de verrader op te pakken en zijn benen te breken. Saint regelde een Frans balletgezelschap waar Nurujev aan de slag kan, al neemt het publiek hem aanvankelijk zijn uitspraak kwalijk dat hij in Frankrijk nooit gelukkig zal zijn. In Londen probeert Yuri de rol van Nurujev te doen vergeten, maar de druk die op hem wordt uitgeoefend eist zijn tol en jaren later pleegt hij zelfmoord.

Tenslotte horen we nog bij monde van een KBG agent over de politieke achtergrond van deze zaak, waarbij Nurujev werd ingezet om Alexander Shepelin, het hoofd van de KGB te wippen, waarmee het persoonlijke en politieke nauw met elkaar vervlochten waren.

Hier de trailer, die begint met archiefbeelden van de dansende Nureyev, hier mijn bespreking van Ted Hughes – sterker dan de dood.

Recensie: Vergeten straat (2009), Louis Paul Boon


Op naar de anarchistische vrijstaat

Het derde deel van het Verzameld werk van Louis Paul Boon dat 24 delen zal tellen, handelt geheel over de roman Vergeten straat die kort na de oorlog  werd gepubliceerd. Behalve het verhaal zelf bevat het ook een uitgebreid nawoord, een tekstverantwoording, een bibliografie en noten.

Het is interessant in het nawoord, dat uit het L.P.Boon-documentatiecentrum komt, te lezen hoe dit boek tot stand gekomen is.De optimistische thematiek moest eigenlijk neergezet worden in een tweede deel van Abel Gholaerts, maar onder invloed van vrienden uit het verzet koos Boon voor een aparte roman. In de verschillende versies verschuift een zonnige kijk op de mens naar pessimisme en volgens Willem Elsschot die de laatste versie van het manuscript las waren de personen schemerig. Het was inderdaad lastig om de verschillende lieden uit elkaar te houden. Het boek vraagt toch al een langzame lezing die wellicht te verklaren is uit de filmische verteltrant, waarbij de camera als in een Dogma-film losjes heen en weer zwenkt tussen de personen. Boon hangt als een alwetende verteller boven het verhaal en manipuleert zijn personages dusdanig, dat het, volgens een andere criticus in het nawoord, teveel unisono wordt.

Desalniettemin is het verhaal over de straat, die tijdens de bouw van de Noord-Zuidlijn tijdens de tweede wereldoorlog in Brussel wordt afgesloten, prachtig. Ik moest meteen denken aan de bouw van de metro in Amsterdam met waarschijnlijk vergelijkbare ongemak en onzekerheid voor de stadsbewoners. De afsluiting van de straat biedt de schrijver de mogelijkheid om, met Koelie als vertolker daarvan, een anarcho-communistisch experiment te wagen. De personages in die microkosmos zijn volkse types, allen met hun eigen sores, die vaak een seksuele achtergrond hebben. Ouders spreken tegen hun kinderen over hun liefdesleven en hun frustraties. Boon beschrijft hen allen met mededogen; de ziekelijke jongen André, die steeds het onderspit delft en ervan droomt om dameskapper te worden, Gaston, een snotneus van 14 jaar, die als een dolle opvoedkundige de ideeën van Koelie aan de man probeert te brengen en geschokt is als een vrouw die nochtans zijn boeken leest, toch het genoegen van het ogenblik, het leven van vandaag kan genieten en Hermine, die de zorg voor de zwakzinnige Peu op zich neemt en vaak twijfelt, bijvoorbeeld of ze door André in de krullen gezet wil worden. ‘Zij weet niet meer of  ze voldoet aan een natuurlijke neiging, waar de mensch, volgens Gaston, zou MOETEN aan voldoen; dan wel aan een belachelijke persoonlijke neiging, waar moet tegen gevochten worden.’ 
Dan zijn er onder meer nog de koopman Sadeleer die steevast niet naar vergaderingen komt, de laffe Nonkel die altijd werkeloos toekijkt en de bedelaar Vieze die steeds op zoek is naar kost voor zijn maag en voor zijn ogen en die droomt van zijn vroegere verblijf in Zuid-Frankrijk. Koelie, die de kost verdient door zijn bloed te laten aftappen als het moet, is enerzijds een welwillend hervormer, maar houdt in het begin zijn dochter Rosa voor zichzelf en kijkt later nauwelijks meer naar haar om, waardoor Rosa met haar lege ziel langzaam omkomt in haar almachtsfantasieën.

‘Het is de strijd uit het oerwoud, niet naar rechtvaardigheid,’ zo peinst Koelie als hij op een vergadering de vakbondsman Alfred hoort spreken. Hij wil geen andere poppetjes, maar zint op echte verandering. Hij wil de hemel op aarde, dus geen pasters, facteurs of politie, maar 
solidariteit en vrijheid, zoals dat in het libertair socialisme heet.
De welwillendheid van Koelie staat tegenover de dogmatiek van Gaston, die niet weet dat de wereldbeschouwing van een jongen niet die van menschen-op-jaren kan zijn. ‘Wat voor hem naar de anderen oever roeien beteekende, was voor hen misschien verdrinken in een veel te wijde zee.’
De verteller heeft wel oog voor de onvolmaaktheid van het leven. ‘Och, dat iets zou volmaakt zijn, het is een dwaas die dat wensen zou. Het ware niet meer om te leven, altijd en overal in de perfectie te moeten handelen en  spreken en denken.’ En wat later: ‘Neen, het gaat niet zoo gemakkelijk om iets nieuws op te bouwen.’   
De verteller heeft ook zijn bedenkingen over de ideeën van Koelie. ‘Misschien dacht Koelie een oogenblik dat de mensch zich nooit meer vervelen zal, later als de tijd gekomen is.’ Hij stelt vervolgens dat men zich met gansche hoopen aan de vensters zal verdringen, om de eersten te zijn die door het raam springen en beneden storten en geeft daarmee duidelijk een voorbeeld van de pessimistische visie in een latere versie. 

Boon is een tovenaar met woorden, iemand met een bijzonder poëtisch vermogen; zijn stijl is bedwelmend; de taal is, ook door het Vlaams, rijk en beeldend. De klaterende lach van Hermine in de tuin bijvoorbeeld doet André vermoeden dat er ergens een fontein moet zijn.
Boon is iemand die speelt met de werkelijkheid zoals Roza met haar poppen. Hij laat graag  wijsgerige bespiegelingen los over de mens en de maatschappij, toont zich bezorgd over de botsing tussen natuur en beschaving en is uiteindelijk ook niet tevreden over zijn boek omdat Koelie teveel holle zinnen bezigt.
Boon las Aantekeningen uit het ondergrondse waarin Dostojevski stelt dat de mens zichzelf als levend wezen bevestigt door van tijd tot tijd in wellust alles kapot te slaan wat ten koste van grote gemeenschappelijke inspanningen is opgebouwd. Hij leerde daarvan dat de enkeling zich spontaan verzet tegen systemen die hem en zijn medemensen het perfecte geluk voorspiegelen, ook als hij daar zelf niet meteen gelukkiger van wordt en zichzelf uiteindelijk misschien wel in de vernieling helpt. Het is ermee als kinderen die in de avonduren een hut weer gaan afbreken, alleen zijn de gevolgen veel erger. De toename van het irrationele geweld aan het eind van Vergeten straat toont dat we in duizenden jaren nog steeds niet in staat zijn onze natuurlijke destructiedrift te sublimeren in een min of meer harmonieuze samenlevingsvorm. Aan dat inzicht en de bezieling om daarover te berichten kunnen tegenwoordige schrijvers, in een tijd van opkomst van partijen die haat wil zaaien tussen mensen, een voorbeeld nemen.    

P.S. Deze recensie verscheen eerder in bijna gelijke bewoordingen op de site van Literair Nederland.  

dinsdag 21 november 2017

Pieter Waterdrinker over Tsjaikovskistraat 40, VPRO Boeken, 19 november 2017


Leven belangrijker dan de literatuur

Zo’n anderhalf jaar geleden was schrijver en journalist Pieter Waterdrinker te gast bij Jeroen van Kan om te praten over zijn nieuwe roman Poubelle, inmiddels is hij terug met een Autobiografische vertelling over Rusland & Revolutie onder de titel Tsjaikovskistraat 40. Dit is het ook het adres waar Waterdrinker in Sint Petersburg met zijn Russische vrouw woont en startpunt voor een tocht door de Russische geschiedenis vanaf de bolsjewistische revolutie die precies honderd jaar geleden plaatsvond. In de toelichting op teletekst stond nog te lezen dat het boek een ode is aan de gespleten Russische ziel en de strijd die daaromtrent voortdurend gevoerd wordt.

Carolina Lo Galbo zegt dat dit boek van 450 pagina’s geschreven is naar aanleiding van de Russische revolutie in 1917 en gaat over de verbeelding van Waterdrinker van de Sovjet tijd.
Waterdrinker antwoordt dat in het boek drie lijnen te onderkennen zijn. Op de eerste plaats gaat het over zijn huis in Sint Petersburg dat in een wijk ligt waar de revolutie ooit begon, daarnaast is het een terugblik op zijn 25 jarige bestaan in Rusland en tenslotte wil hij ook iets over de huidige tijd zeggen.

Lo Galbo zegt dat hij halverwege het boek over de innerlijke noodzaak ervan begint.
Waterdrinker antwoordt dat er twee soorten schrijvers zijn, zij die alles verzinnen en zij die het schrijven verweven met hun bestaan. Hij is iemand van de laatste soort. Bijna al zijn boeken zijn kronieken van de Russische geschiedenis. Na de afschaffing van de Sovjet Unie verkocht hij bijbels en ontpopte hij zich als een zakenman maar zonder interesse in geld. Mensen leefden van de hand in de tand en wisten dat dit niet lang kon voortduren. Waterdrinker ziet de geschiedenis als een golvende beweging met de revoluties van 1917 tot die van 1991 als ijkpunten en trekt parallellen met de huidige verhouding tussen Europa en Afrika, dat staat te dringen aan onze poorten net als vroeger de arme stedelingen van Sint Petersburg om toegelaten te worden tot de maatschappij. Echt politiek wordt het verder nergens want het blijft een roman. Dat wil niet zeggen dat een schrijver geen engagement kent. Hij kijkt met compassie naar zijn medemensen in een tijd waarin het communisme is weggevaagd en Poetin zich ontpopt als de nieuwe tsaar. Hij wilde in zijn boek vooral de meerdere tinten weergeven die in de genoemde geschiedenis terug te vinden zijn.

Lo Galbo leest enkele fragmenten voor uit het boek die ze een voorbeeld vindt van rijk taalgebruik en concludeert verder dat Waterdrinker een haat-liefde verhouding met het land heeft.
Waterdrinker zegt dat hij dat ook met Nederland heeft. Anders dan Nederland is Rusland een mediterraan land, met uitzondering van het eten. De geschiedenis van het land grijpt hem aan. Hij probeert erin door te dringen, weet dat hij daarin faalt, maar komt toch steeds een stapje verder. Hij betreurt de nieuwe spanningen tussen Oost en West, want het is belangrijk om elkaar beter te leren kennen en op deze manier lukt dat niet.

Lo Galbo vraagt wat hij wilde meegeven.
Waterdrinker antwoordt dat hij de Russische ziel als een cliché ziet, dat men daar ook gewoon samenleeft en dat daar net als elders armoede en onrecht voorkomen. Hij voelt zich geen Nederlander of een Rus, maar op de eerste plaats een mens. Zijn bestaan in Rusland heeft hem liefde gebracht en een interessant leven, dat belangrijker is dan de literatuur.

Hier mijn verslag van het gesprek over Poubelle.