Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.

Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas.

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Johannes.



maandag 22 januari 2018

Bert Natter over Zij zullen denken dat we engelen zijn, VPRO Boeken, 21 januari 2018


Gewone man biedt geconfronteerd met ingrijpende gebeurtenissen in zijn leven

Afgelopen week verscheen de nieuwe roman Zij zullen denken dat we engelen zijn van oud uitgever en journalist Bert Natter (1968). Hoofdpersoon Alfred Ellerau wil op een terras iets gaan drinken met een vrouw die hij net heeft leren kennen als er een aanslag wordt gepleegd. Het leven van Alfred verandert daardoor voorgoed. Carolina Lo Galbo praat met Natter over de roman.

Lo Galbo merkt op dat de aanslag van een ander kaliber was dan de vuurwerkramp uit Begeerte heeft ons aangeraakt uit 2011.
Natter vertelt dat hij de aanslag zelf heeft bedacht. Hij zag die in een nachtmerrie voor zich, noteerde die in zijn dagboek en op een los blaadje. Hoewel hij al anderhalf jaar met een ander boek bezig was, wilde hij daar toch iets mee en schreef in een week tijd het halve boek. Dat kwam ook door de vertelstem van Alfred die meteen goed was. Alfred is iemand met een beperkte blik, het tegendeel van een intellectueel. Als chauffeur op een busje voor verstandelijk gehandicapten vindt hij structuur en houvast in het leven. In een half jaar was het boek klaar. Het verhaal beklemde hem en er zit minder humor in dan in Goldberg, waarin een student zich afsluit van zijn eigen leven en zich verdiept in het leven van een leerling van Bach. Voor Alfred is er, op het contact met de vrouw, geen enkele vluchtweg mogelijk. In de roman is er een groot verschil tussen de feiten die door de media worden opgelepeld en de ervaring van Alfred. De klap komt bij hem later aan, ook omdat hij het verlies van zijn echtgenote nog niet verwerkt heeft. Natter heeft het drama teruggebracht tot een periode van tien dagen.

Lo Galbo zegt dat het leven van Alfred niet vlot, dat hij vast zit.
Natter antwoordt dat Alfred leeft met de rem erop, maar de aanslag maakt daar een einde aan. Als vader van een verstandelijk gehandicapt kind weet hijzelf zo’n beetje hoe het er in een busje aan toe gaat dat dit soort kinderen vervoert. De chauffeurs zijn vaak werklozen die aangesteld door de gemeenten om te besparen op de financiën, maar hebben wel een hele verantwoordelijke taak. De baan past goed bij Alfred. Hij was ooit fotograaf maar kan goed omgaan met zijn passagiers en ging in het boek vooral zijn eigen weg.

Lo Galbo merkt op dat dit is wat de verbeelding met een schrijver doet.
Natter antwoordt dat Alfred een gewone man is die de koers van het boek bepaalt. Elke schrijver heeft zijn beperkingen, hijzelf vindt het moeilijk om de intellectuele en kunstzinnige saus eraf te schrapen maar vond het in dit geval toch belangrijk om zich helemaal te kunnen richten op het innerlijk van Alfred en zijn sociale omgeving.

Lo Galbo vraagt waarom de vrouw Prunella heet.
Natter heeft die naam gevonden op een cd waarop een harpiste speelde. Haar naam kreeg daarop nog meer betekenis omdat ze uit een familie van fruittelers komt.

Lo Galbo vraagt of Zij zullen denken dat we engelen zijn zwaar was om te schrijven.   
Natter antwoordt dat de humor, zoals in bovenstaande antwoord, toch wel aanwezig is. De aanslag uit het begin van de roman, moest hij zelf ondergaan, waarbij hij niet zo ver ging als Marcel Möring, die zich lichamelijk verbeeldt hoe zo iemand zo gevoeld moet hebben. Hij put vooral uit zijn geheugen. Zijn beschrijving van Prunella die uit haar lichaam treedt, klopte aardig met de werkelijkheid, merkte hij later.

Lo Galbo vraagt hoe het mogelijk is verder te lezen na zulke verwoestende ervaringen.
Natter antwoordt dat Alfred van mening is dat zelfmoord een cynische reactie zou zijn en dat hij daarom blijft leven. Het is aan de lezer te bedenken hoe het met hem en Prunella verder gaat.

Hier een leesfragment op de site van Athenaeum Boekhandel

zondag 21 januari 2018

De donut economie, Tegenlicht, 26 november 2017


Een nieuwe Keynes staat op en promoot het planetair bewustzijn

Regisseur Alexander Oey polst de Britse econome Kate Raworth, onderzoeker bij het Environmental Change Institute in Oxford over haar ideeën over een andere kijk op de economie. De huidige is volgens Raworth verouderd en niet aangepast aan de eisen van onze tijd. De sociale ongelijkheid, die door de groei economie vergroot wordt, dupeert de grote meerderheid van de bevolking en put de aarde op een gevaarlijke manier uit. Ze heeft een model ontwikkeld, gelijkend op een donut (zie foto), waarbij de welvaart dusdanig verdeeld is dat iedereen daarvan de vruchten plukt. Het gesprek met Raworth wordt voornamelijk gevoerd naar aanleiding van fragmenten uit eerdere Tegenlicht uitzendingen. In het begin speelt Oey voor de advocaat van de duivel door te zeggen dat het toch goed gaat met de economie en dat we daardoor tevreden kunnen zijn. 

De economische voorspoed is volgens Raworth vooral slecht voor het milieu. Ze staat bij het schilderij De anatomische les van Rembrandt en vertelt dat de fascinatie van toen voor de werking van het menselijk lichaam doorgetrokken kan worden naar de huidige tijd waarin we steeds meer doordrongen zijn van de voorwaarden waaronder ons planetair lichaam werkt. Aan de hand van onze omgang met afval kunnen we zien dat de groei economie zijn grenzen heeft. Het liefst worden we daarmee niet geconfronteerd maar we kunnen onze ogen daar steeds minder voor sluiten. Het idee dat meer beter is leidt tot een ramp. Ook in de natuur is er geen oneindige groei maar wordt die afgewisseld met sterven. De productie van olie is een van de pijlers waarop de groei economie steunt. Door de zeespiegelstijging worden onschuldige inwoners van eilanden de dupe van onze hebzucht

De donut laat een ander beeld zien van een economie gebaseerd op de vervulling van onze primaire behoeften zonder onze planeet verder te belasten. Raworth laat zien hoe erg de toestanden zijn in de kledingindustrie en hoe het beter kan. Tegenwoordig worden de lasten afgewenteld op de werkers die veel te lang moeten werken voor een schamel loon. Volgens Raworth heeft Adam Smith al gewaarschuwd voor de gevolgen van het geestdodende werk in de fabrieken, waar iedereen uitgeput raakt, net als de planeet. In de circulaire economie worden de grondstoffen hergebruikt en opnieuw in het productieproces opgenomen, zoals we zien op het gebied van jeans die door de klant gehuurd worden en weer worden teruggebracht waarna de stof versneden wordt en gebruikt wordt om er nieuwe broeken van te maken. De nieuwe vorm van productie is weliswaar nog maar een druppel op de gloeiende plaat maar men moet ergens beginnen zegt Raworth. Elk zaadje is er een.

Recycling vormt de basis van de circulaire economie. Raworth denkt dat onze kinderen het later onvoorstelbaar vinden dat we wegwerpplastic gebruikten. In de aflevering Vuil goud uit 2015 zagen we dat men in België druk bezig is om oude mobieltjes te verwerken voor hergebruik. De ontwikkeling van een eerlijke telefoon is nog niet zo gemakkelijk. Bas van Adel kreeg dat in ieder geval niet van de grond, zoals we in De eerlijke onderneming (2016) zagen. Raworth zegt daarbij het moeilijk is om het alleen te doen en dat het een inspanning van ons allen vraagt, waarbij iedereen naar vermogen kan meehelpen, de overheid door wetgeving te maken, investeerders door te investeren in duurzame projecten, de burger door bewust met goederen om te gaan, alleen het meest noodzakelijke te kopen en daarbij te letten op duurzaamheid. In De slimme staat (2015) zagen we dat de Deense staat de komst van innovatieve bedrijven stimuleert en daarmee de duurzame en sociale economie aanjaagt.

Raworth eindigt met een beeld van een kitesurfer die gebruik maakt van de wind en de golven om zich een weg te banen. Ze vindt dit een mooie analogie met het toekomstige Bruto Binnenlands Product, dat wendbaar is op en neer golft zoals de surfer met veel plezier doet.

Hier meer informatie over de uitzending op de site van Tegenlicht, waaronder een tweet van Dolf Jansen om toch vooral naar deze aflevering te kijken in verband met de groei en de toekomst van onze planeet, hier mijn verslag van Vuil goud, hier dat van De eerlijke onderneming, hier dat van De slimme staat.

zaterdag 20 januari 2018

Nell Zink over Nicotine, VPRO Boeken, 14 januari 2018


Amerikaanse beschrijft de wereld op zijn kop

De derde roman van Nell Zink in achttien maanden - na haar debuut De rotskruiper en Misplaatst, die ze allebei in drie weken tijd schreef - heet Nicotine en wordt een verslavende roman genoemd over de werkloze Penny uit Columbia, die ooit op een vuilnisbelt gevonden is en tegen haar bijzondere familie rebelleert door gewoon normaal te zijn. Haar veertigjarige moeder is lid van een Zuid-Amerikaanse indianenstam, haar vader een joodse sjamaan. Na diens overlijden op 82-jarige leeftijd erft Penny zijn geboortehuis dat in staat van verval verkeert. Ze ontdekt dat het gekraakt is door een woongroep die het de naam Nicotine gegeven hebben en dat die vecht voor de rechten van rokers. De wereld op zijn kop dus als het ware. Jeroen van Kan voelt haar daarover aan de pols in een gesprek dat bol staat van de misverstanden, maar daarom nog niet onaardig is om naar te kijken.

Van Kan merkt op dat het boek, ondanks de aardige poging die hij daartoe doet, moeilijk samen te vatten is.
Zink antwoordt dat het om honderdvijf korte scènes gaat die als een stel estafettelopers het plot steeds doorgeven. De bedoeling daarvan is dat de lezer zelf ook voortgaat. Ze begon de roman als een vormexperiment dat zich kon meten met een televisieserie waarin de lezer veel visuele informatie krijgt. Ze wilde in ieder geval hetzelfde effect bereiken in een decor dat weinig afwisseling kent en waarin de conflicten tussen de personages centraal staat. Een schrijver moet volgens haar heel wat presteren om hetzelfde te bereiken. Haar oogmerk was om het medium televisie te ontmaskeren. 

Van Kan vraagt zich af of fictie op de eerste plaats bedoeld is om mensen te vermaken.
Zink zegt dat ze beïnvloed is door het anarchistische denken, dat wil dat men leest op basis van vrijwilligheid, hen graag een handreiking doen en hen geven wat ze graag willen hebben. Ze noemt clickbait op internet die hetzelfde doet, namelijk misleidende koppen gebruikt om de aandacht van de lezer vast te houden.

Van Kan vraagt haar naar de functie van katten in haar boek.
Zink kan zich niet herinneren dat er een kat voorkomt in Nicotine en als Van Kan volhoudt van wel, wil ze gaan staan en vraagt ze of de ware Nell Zink zich bekend wil maken. Daarna zegt ze dat ze een literair agent heeft die haar teksten nog eens leest.

Van Kan begint vervolgens over Penny, maar Zink is nog niet klaar met clickbait en vertelt over een leraar filosofie die stelde dat vermaak helpt om tegen de gangbare orde in te gaan. Dat is in Nicotine bijvoorbeeld het geval als de naakte dertienjarige Penny in een zweethut ligt terwijl er een eveneens naakte groep mannen met toortsen op haar af komt. Ze gebruikt dit voorbeeld om aan te geven dat je een gevoel van ongerustheid moet zaaien als je een boodschap wilt overbrengen. Tegelijk wil ze al te goedkope trucs, zoals in de winnaar van de Prix Concourt, The perfect nanny, liever uit de weg gaan. In die roman is in de eerste zin de baby dood en vecht een driejarige voor haar leven.

Van Kan zegt dat Penny niets over haar afkomst weet.
Zink zegt dat de lezer bepaalde verwachtingen heeft, maar dat het gewone leven anders in elkaar zit en dat daarin hele onverwachte dingen gebeuren. Dat laatste laat ze ook in haar boek plaatsvinden.

Van Kan zegt dat de lezer meer getroost wil worden dan het absurde ingevoerd.
Zink wil de lezer iets laten meemaken. Ze noemt seks als voorbeeld, dat in het gewone leven niet zo heel opwindend blijft, maar dat in een boek heel boeiend kan blijven.

Van Kan vindt het jammer dat de tijd te kort is om op de inhoud in te gaan.
Zink antwoordt dat het niet erg is als de lezer niet weet waar het boek over gaat. Dat is zelfs de bedoeling. Ze noemt een aantal onderwerpen die ter sprake komen zoals de Amerikaanse manier van sterven, het verzet tegen de gevestigde orde en de vraag of dat het waard is, leugens en bedrog en de grenzen van de vrijheid.

Hier leest Nell Zink voor uit haar boek in boekhandel Politics and Prose in Washington D.C.

Nell Zink over Nicotine, VPRO Boeken, 14 januari 2018


Amerikaanse beschrijft de wereld op zijn kop

De derde roman van Nell Zink in achttien maanden - na haar debuut De rotskruiper en Misplaatst, die ze allebei in drie weken tijd schreef - heet Nicotine en wordt een verslavende roman genoemd over de werkloze Penny uit Columbia, die ooit op een vuilnisbelt gevonden is en tegen haar bijzondere familie rebelleert door gewoon normaal te zijn. Haar veertigjarige moeder is lid van een Zuid-Amerikaanse indianenstam, haar vader een joodse sjamaan. Na diens overlijden op 82-jarige leeftijd erft Penny zijn geboortehuis dat in staat van verval verkeert. Ze ontdekt dat het gekraakt is door een woongroep die het de naam Nicotine gegeven hebben en dat die vecht voor de rechten van rokers. De wereld op zijn kop dus als het ware. Jeroen van Kan voelt haar daarover aan de pols in een gesprek dat bol staat van de misverstanden, maar daarom nog niet onaardig is om naar te kijken.

Van Kan merkt op dat het boek, ondanks de aardige poging die hij daartoe doet, moeilijk samen te vatten is.
Zink antwoordt dat het om honderdvijf korte scènes gaat die als een stel estafettelopers het plot steeds doorgeven. De bedoeling daarvan is dat de lezer zelf ook voortgaat. Ze begon de roman als een vormexperiment dat zich kon meten met een televisieserie waarin de lezer veel visuele informatie krijgt. Ze wilde in ieder geval hetzelfde effect bereiken in een decor dat weinig afwisseling kent en waarin de conflicten tussen de personages centraal staat. Een schrijver moet volgens haar heel wat presteren om hetzelfde te bereiken. Haar oogmerk was om het medium televisie te ontmaskeren. 

Van Kan vraagt zich af of fictie op de eerste plaats bedoeld is om mensen te vermaken.
Zink zegt dat ze beïnvloed is door het anarchistische denken, dat wil dat men leest op basis van vrijwilligheid, hen graag een handreiking doen en hen geven wat ze graag willen hebben. Ze noemt clickbait op internet die hetzelfde doet, namelijk misleidende koppen gebruikt om de aandacht van de lezer vast te houden.

Van Kan vraagt haar naar de functie van katten in haar boek.
Zink kan zich niet herinneren dat er een kat voorkomt in Nicotine en als Van Kan volhoudt van wel, wil ze gaan staan en vraagt ze of de ware Nell Zink zich bekend wil maken. Daarna zegt ze dat ze een literair agent heeft die haar teksten nog eens leest.

Van Kan begint vervolgens over Penny, maar Zink is nog niet klaar met clickbait en vertelt over een leraar filosofie die stelde dat vermaak helpt om tegen de gangbare orde in te gaan. Dat is in Nicotine bijvoorbeeld het geval als de naakte dertienjarige Penny in een zweethut ligt terwijl er een eveneens naakte groep mannen met toortsen op haar af komt. Ze gebruikt dit voorbeeld om aan te geven dat je een gevoel van ongerustheid moet zaaien als je een boodschap wilt overbrengen. Tegelijk wil ze al te goedkope trucs, zoals in de winnaar van de Prix Concourt, The perfect nanny, liever uit de weg gaan. In die roman is in de eerste zin de baby dood en vecht een driejarige voor haar leven.

Van Kan zegt dat Penny niets over haar afkomst weet.
Zink zegt dat de lezer bepaalde verwachtingen heeft, maar dat het gewone leven anders in elkaar zit en dat daarin hele onverwachte dingen gebeuren. Dat laatste laat ze ook in haar boek plaatsvinden.

Van Kan zegt dat de lezer meer getroost wil worden dan het absurde ingevoerd.
Zink wil de lezer iets laten meemaken. Ze noemt seks als voorbeeld, dat in het gewone leven niet zo heel opwindend blijft, maar dat in een boek heel boeiend kan blijven.

Van Kan vindt het jammer dat de tijd te kort is om op de inhoud in te gaan.
Zink antwoordt dat het niet erg is als de lezer niet weet waar het boek over gaat. Dat is zelfs de bedoeling. Ze noemt een aantal onderwerpen die ter sprake komen zoals de Amerikaanse manier van sterven, het verzet tegen de gevestigde orde en de vraag of dat het waard is, leugens en bedrog en de grenzen van de vrijheid.

Hier leest Nell Zink voor uit haar boek in boekhandel Politics and Prose in Washington D.C.

vrijdag 19 januari 2018

Theaterrecensie: This can’t happen, Frascati producties, Toneelschuur, 17 januari 2018


Mooie aanmoediging om out of the box te durven denken

Hoe komt het dat we denken wat we denken? Veel van onze gedachten zijn afkomstig van een collectief geheugen dat nauwelijks aan de oppervlakte komt, maar dat wel onze denkrichting bepaalt en dus ook de loop van de wereld. Theatermaker Emke Idema las ooit de zin: ‘Gewoontes maken een groot deel van de wereld onzichtbaar.’ Die intrigeerde haar zo dat ze het onzichtbare in een voorstelling zichtbaar wilde maken. Ze noemt de voorstelling This can’t happen, waarin het publiek een actieve rol vervult, een spel met collectieve verbeelding en tijd. Theatermaker Sjoerd Meijer, die onlangs nog de solovoorstelling Aangepast speelde, legt op didactisch aanschouwelijke wijze uit wat dit inhoudt.

Hij toont eerst twee witte trapeziums op het podium die straks los van elkaar komen om een ruimte te scheppen voor situaties, waarin de verbeelding een kans kan krijgen. Aan de zijkant staat een glazen bak met zand dat langzaam wegstroomt. Als zandloper leeg is, is de voorstelling afgelopen. Het publiek kan dit voorkomen door in te gaan op vragen die door Meijer gesteld worden. Deze zogenaamde tijdsvragen kunnen drie minuten extra speeltijd opleveren als ze gedurende anderhalve minuut door één persoon worden beantwoordt en vijf minuten als deze persoon geholpen dan wel aangevuld wordt door anderen. Zonder deze extra speeltijd is de voorstelling met twintig minuten afgelopen.

Mijn beschrijving klinkt mogelijk nogal ingewikkeld, maar op het toneel is het glashelder, temeer omdat Meijer een proefvoorbeeld begint over een persoon die te laat binnenkomt: wie is die persoon, waar neemt hij plaats, wat gebeurt er voor opvallends als hij eenmaal zit en hoe reageert het publiek daarop? Voor de veiligheid is in het spel een dubbele bodem ingevoegd. Niemand in de zaal speelt wie hij is, maar is een vertegenwoordiger van zichzelf. Dat geldt ook voor Meijer die een persoon speelt die slechts op hem lijkt.

Deze persoon kijkt toe hoe de trapeziumvormige schotten langzaam door kabels uit elkaar gaan en plaats maken voor een witte vloer met daarboven een wit plafond. Staande op de spelvloer beschrijft hij een afbeelding die in ons collectieve geheugen gegrift staat, namelijk de landing van de eerste astronauten op de maan, al wordt die niet benoemd. De maanlander wordt verbeeld als een mechanisch insect en de vraag is, als de astronauten eenmaal achter de horizon vertrokken zijn, welk ritueel dit insect dagelijks uitvoert. Een jonge vrouw uit het publiek weet wel raad met de tijdsvraag. Ze beschrijft hoe het insect een rituele dans maakt en varkentjes in het zand tekent. Ze wordt bijgestaan door een ander, zodat de gezamenlijke inspanning vijf minuten extra speeltijd oplevert. Zo gaat het ook met andere situaties. De anderhalve minuut voor de tijdsvraag wordt aangegeven door een, door Genevieve Murphy ontworpen, wonderschoon geluid dat in kracht toeneemt als de het einde van de antwoordtijd bereikt is.

Natuurlijk gaat het niet om de spelregels. Die zijn slechts een voorwaarde om de collectieve verbeelding vorm te geven. Dit leidt, naast de fantasie over het ritueel van het mechanisch insect, onder andere tot een grappige fantasie over luchtfietser Poetin, die de toeschouwers van een parade op het Rode plein nat plast, hetgeen bij Trump de reactie oproept dat hij dat vanaf het Witte huis veel beter kan. Tussendoor zegt Meijer ook nog dat men een Ik verlang-interventie kan plegen als men ontevreden is over het verloop van het spel en dat in een meer filosofische, politieke of andere richting wil bijsturen. Zo’n interventie levert ook weer drie minuten speeltijd op.

This can’t happen had wellicht nog steeds voortgeduurd als Meijer niet vooraf had gezegd dat de voorstelling niet langer dan tachtig minuten zou duren. De tijd die op dat moment nog resteerde kon door de toeschouwers zelf later benut worden om zich thuis nog eens aan een gedachtenexperiment te wagen. De ervaring opgedaan in This can’t happen leidt er in geval toe dat men minder snel de ruis die voortkomt uit collectieve beelden en sterk gestuurd wordt door de media, voor zoete koek aanneemt, maar zelf durft na te denken. Idema levert met dit concept, dat verder vormgegeven werd door Nienke Scholts, een sterke bijdrage aan het vermogen om out of the box te durven denken en Meijer was daarbij een hele vakkundige en sympathieke gastheer.
  
Hier de site van Emke Idema met meer informatie over haar voorstellingen, hier de trailer op vimeo, waarin Sjoerd Meijer een opstelling laat zien die verbeelding kan stimuleren.De foto is van Bas de Brouwer. 

donderdag 18 januari 2018

Recensie: Een huis voor meneer Biswas (2000), V.S. Naipaul


Immigrantenproblematiek sterk beschreven aan hand van een
'peddelaar in een kano'

De van oorsprong uit Trinidad afkomstige Britse schrijver V.S. Naipaul (1932) schetst in een imponerende roman uit 1961 een beeld van een man uit Trinidad met een moeilijk leven dat losjes op zijn vader gebaseerd is. Tegelijk is het een portret van het leven van Indiase immigranten die in een verre kolonie een nieuwe toekomst moeten zien op te bouwen. Hoofdpersoon meneer Biswas heeft het daarmee niet gemakkelijk. In zijn familie is hij een buitenbeentje en later, in de greep van zijn welgestelde Hindoe schoonfamilie, wordt het er niet beter op.

De huizen waarin Biswas tijdens zijn leven woonde vormen de invalshoek van dez groot opgezette roman. We krijgen meteen al een inkijkje in het laatste krakkemikkige huis in Sikkim Street in Port of Spain waarin Biswas met zijn vrouw Shama en hun vier kinderen de laatste vijf jaar van zijn leven woonde. Het was bij nader inziene Het  een miskoop in zijn zucht om zich los te maken van zijn schoonfamilie, de Tulsi’s, die hem het leven onmogelijk maken. Hij is dan inmiddels weer bij de krant gaan werken na een uitstapje als ambtenaar, maar plezier van zijn bezit heeft hij niet vanwege de enorme schuld die hij is aangegaan.

Biswas was als kind al een probleemgeval. Na zijn geboorte met zes vingers werd hij gezien als iemand die ongeluk brengt. Dat werd werkelijkheid nadat hij als hoeder van een kalf van een buurman deze uit het oog verloor. Biswas was zo overstuur over de vermissing dat hij zich in huis verborg. Zijn vader en de buurman gingen op zoek naar hem maar haalden alleen het kalf uit een beek in de buurt. Op zoek naar Biswas verdronk zijn vader. Biswas stond vol schuldbesef langs de kant. Het was een trauma dat een kind nooit meer te boven komt. Als zijn moeder de intellectueel niet onbemiddelde Biswas uitzendt om pundit, een soort geestelijk leider te worden, wordt hij voortijdig weggestuurd na een nogal dom incident. Daarna wordt hij een tijdje ingezet om rum te verkopen. Als letterschilder komt hij in contact met zijn toekomstige vrouw Shama ,die in de winkel van haar moeder, de weduwe Tulsi, werkt. Biswas trekt bij hen in, maar krijgt regelmatig de wind van voren, vooral van Seth, de zwager van mevrouw Tulsi, die hem een peddelaar in een kano noemt, dus als het ware iemand die niet snel vooruitkomt. Als de toestand niet langer houdbaar is verhuist Biswas met zijn gezin naar een ander huis van de Tulsi’s en begint daar een kruidenierswinkel, maar die episode eindigt met een door hem onvoorzien conflict met een wanbetaler, waarop het pand in de fik wordt gestoken om de verzekeringspremie te kunnen opstrijken. Vervolgens probeert Biswas het als opzichter op een plantage, laat daar zelfs een huis bouwen en woont daar met zijn oudste dochter, maar is daar ook weinig geluk beschoren. De verhouding me Shama gaat nooit over rozen maar zij is niet iemand die snel opgeeft, al hangt de relatie af en toe aan een zijden draadje en neemt ze hun kinderen mee naar haar ouderlijk huis. Het eerste deel eindigt dan ook aangrijpend met een grote chaos in het hoofd van Biswas.

In het tweede deel wordt het leven er niet gemakkelijker op, al zorgt een verhuizing van de familie Tulsi naar Port of Spain er wel voor dat Biswas, die als jongeling zijn rijkere, maar ongeletterde oom Ajodha, voorlas, bij de krant aan de slag kan, eerst nog als letterschilder maar al gauw als journalist. Na het vertrek van de beminnelijke hoofdredacteur neemt de onzekerheid over het voortbestaan van het blad toe, zodat Biswas zijn heil zoekt in de ambtenarij die echter in de jaren na de Tweede Wereldoorlog met het naderende einde van de kolonie weinig bestaanszekerheid biedt. Naast de vele omzwervingen van het gezin komen de problemen die Biswas vooral met zijn enige zoon Anand heeft. De twee hebben een haat liefde verhouding met elkaar die, net als de relatie tussen Biswas en Shama, niet zo gemakkelijk te veranderen valt. In een poging een eigen stek in Sikkim Street op te bouwen vergaloppeert Biswas zich zodat hij de laatste vijf jaar van zijn leven geplaagd wordt door geldzorgen.

In een traditionele, maar wel heel beeldende vertelstijl zet Naupaul het leven weer van zijn vader, die vaak aan maagproblemen lijdt. Hij schrijft met een blik, die vooruitkijkt en plaatst af en toe de gebeurtenissen in een toekomstig kader. Daardoor krijgt de roman diepte en wordt het gevaar van een al te chronologische opsomming daarmee vermeden. Zelf zegt Naipaul in het Voorwoord dat hij in 1983 schreef, dat de roman, die hij lang niet meer had ingezien en toevallig een op grond ervan hoorspel hoorde, dat de roman voor zijn doen veel humor heeft en dat die hem het meest dierbaar is. Een huis voor meneer Biswas is op enkele komische passages na, zoals een gesprek tussen de bokkige Seth en mevrouw Tulsi over de verbintenis tussen Biswas en Shama, een wrang soort humor, waarmee een man als zijn vader geportretteerd wordt die in een gevestigde en geïmporteerde Hindoe cultuur nauwelijks zijn hoofd boven water kan houden, maar die weet de lezer wel te raken.  




woensdag 17 januari 2018

Geluk in de literatuur, Stadsbibliotheek Haarlem, 15 januari 2018


Geluk is liefde

Om tegenwicht te bieden aan Blue monday organiseren de Bibliotheek Zuid Kennemerland en de Toneelschuur een avond over geluk, in het bijzonder in de literatuur. Aandacht is er ook voor de voorstelling Geluk onder regie van Nina Spijkers die op 8 februari a.s. in première gaat. Presentatrice Joni Zwart leidt - na een verrassende opening door de vier spelers van de voorstelling Geluk die vaker een theatrale of muzikale bijdrage leveren - de avond in met een uitleg van de formule die de Britse psycholoog Cliff Amail opstelde, om aan te geven dat mensen zich op deze dag in januari het meest ellendig voelen. Zwart zegt erbij dat de formule dermate onhanteerbaar was dat Amail later reizen ging verkopen voor Sky travel.

Toef Jaeger interviewt Kees ’t Hart, die bekend staat als een homo ironicus en naast verhalenbundels en romans ook een essaybundel heeft uitgebracht onder de naam Het gelukkige schrijven (2015). Zijn personages zijn vaak helemaal niet van die gelukkige mensen, omdat ze met overspannen ideeën rondlopen. Hij wil graag dat ze ongelijk krijgen. In De Revue (1999) probeert de hoofdpersoon de geheimzinnige wereld van de revue te doorgronden. ’t Hart zegt erbij dat zijn vrouw in de tijd dat hij Nederlands studeerde bij de revue werkte en dat hij in de avonduren het gezelschap leerde kennen. Hij haalt de eerste zin uit de roman aan die verwijst naar de gelukkigste tijd van zijn leven, die hij toen had. Hij had als laatste zin bedacht dat meisjes gelukkig moeten zijn maar die haalde het niet. Het zegt wel iets over zijn werkwijze die begint met een eerste en laatste zin. Hij is beïnvloed door de Franse filmmaker Eric Rohmer die in zijn vier films over de seizoenen ook vindt dat meisjes gelukkig moeten zijn. Een op het scherm geprojecteerde grafiek uit een scheurkalender Schrijven is scheuren, die hij samen met Marja Pruis en Joost de Vries samenstelde, is niet van hem maar van De Vries die wilde aangeven hoe een plot zich op de meest simpele wijze ontwikkelt, iets wat niet voorkomt in de boeken van ’t Hart. Jaeger spreekt over ’t Hart’s laatste roman Wederzijds (2017), waarin een echtpaar in een burgerwacht geluisd wordt, die overlast wil bestrijden maar zelf wraaknemingen pleegt. Volgens Jaeger zijn de laatste romans wranger van toon. Dat komt wellicht door huidige maatschappelijke verhoudingen zegt ’t Hart die zelf liever de onschuld bewaart en dromerige romans schrijft zoals nu over Goethe. (Daarover heeft hij al eerder in 2011 een novelle gepubliceerd met de titel Het beeld van Goethe. rs)

Esther op de Beek is lector moderne Nederlandse literatuur en geeft een minicollege over geluk in de literatuur aan de hand van drie aspecten: de traditionele associatie rond geluk en literatuur, de herkomst van het moderne geluksbegrip en de plicht tot geluk in moderne romans. Ze haalt een verhalenbundel met de titel Geluk is voor de dommen (2003) van Hans Vervoort aan, die niet meteen een aansporing is om daar achter aan te gaan. Pas in de Bouquet reeks en in streekromans kwam geluk in de titel naar voren. De herkomst van het moderne geluksbegrip heeft volgens haar te maken met een paradigmawisseling in de achttiende eeuw, die de eigen verantwoordelijkheid voor geluk op de voorgrond plaatste. De individuele worstelingen daarmee worden vastgelegd in de roman, die in dezelfde tijd opkomt. Tegenwoordig lijkt geluk zelfs een plicht te zijn. Als we daarin falen zijn er vele zelfhulpboeken die ons willen helpen. Ook in de wetenschap is veel aandacht voor geluk, vooral voor de meetbare kanten daarvan. Op de Beek signaleert het verzet daartegen in moderne romans, zoals die van Hanna Bervoets, Toon Tellegen, Ivo Victoria en Tom Lanoye. Ze bekritiseert de romans van Griet op de Beeck die het streven naar geluk in stand houden.

Psycholoog Thijs Launspach heeft onderzoek gedaan naar de problemen van millenials en beschreven in Het millenial manifest (2017). De burnouts in deze groep zijn verontrustend en hebben te maken met alle aandacht die ze in hun jeugd kregen, waardoor ze het idee hadden dat de bomen tot de hemel groeiden, terwijl de maatschappelijke omstandigheden veranderd waren toen ze aan het werk gingen. Launspach haalt psychiater Anna Terruwe aan die in de jaren zeventig gesprekken voerde met jongeren die het moeilijk hadden en in haar bevestigingstheorie vaststelde dat men meer met elkaar moest praten. Datzelfde advies geeft Launspach. Door eerlijk met elkaar te praten en zichzelf kwetsbaar op te stellen kan de druk die men ervaart verminderd worden. Geluk is volgens Launspach niet hetzelfde als genot en niet te koop, al doet de reclame hard zijn best om dat wel te doen geloven.

In de paneldiscussie, geleid door Zwart met bovenstaande sprekers en daarbij ook Nina Spijkers, vertelt de laatste over het maakproces van de voorstelling Geluk. Aan de hand van literatuur, eigen teksten en improvisaties is een vorm ontstaan die vragen stelt over onze obsessie met geluk. Ze hield zich eerder bezig met repertoire toneel, zoals dat van Tsjechov, maar voor dit onderwerp was geen tekst voorhanden. Spijkers hanteert liever het begrip zingeving dan geluk, omdat het de plaats van religie heeft ingenomen. Het meisje op de poster van de voorstelling, Imke Smit, heeft een burnout en is vervangen door Linda van den Heuvel.
Zwart vraagt ’t Hart of hij het maakproces in de literatuur, dat hij in Het gelukkige schrijven typeert als uitgevoerd door een pretentieloze veelschrijver die durft te falen, herkent. ’t Hart antwoordt dat het bij hem vaak met een kleinigheid begint, dat leidt tot een globaal plan. Hij schrijft dan drie maanden dagelijks duizend woorden en kijkt daarna in een meer rationele fase wat daarvan bruikbaar is.
Zwart vraagt Op de Beek hoe het komt dat geluk sinds deze eeuw zo in de aandacht staat. Op de Beek spreekt van een collectieve hysterie onder invloed van de markt die steeds commerciëler wordt. Schrijvers herkennen de worsteling met geluk en het publiek is geïnteresseerd omdat men graag de eigen zorgen wil delen. Ze vindt vooral de invulling van het begrip geluk mooi waarbij het gaat om het gevoel na de oplossing van een innerlijk conflict.
Launspach haalt de uitspraak van Spijkers aan dat geluk de nieuwe religie is. Zelf ziet hij het als een containerbegrip, dat van alles kan inhouden. Hij verwijst naar de Sloveense filosoof Zizek, die stelt dat we in een ideologische tijd leven waarin het marktdenken overheerst en iedereen die niet meedoet als afwijkend wordt gezien en als autistisch of hyperactief wordt gediagnosticeerd met pillen als oplossing.
Op de Beek haalt Maxime Februari aan die de problemen wijt aan onze horizontale - in plaats van verticale oriëntatie. Daardoor staart men zich blind op anderen en vooral op degenen die net wat meer succes hebben.
Spijkers definieert geluk nog eens als de overeenkomst tussen verwachtingen en de werkelijkheid, hetgeen tot tevredenheid stemt. Launspach brengt de boeddhistische betekenis in waar geluk, onafhankelijk van de omstandigheden, vooral in jezelf zit.
Zwart sluit af met de vraag aan alle gespreksgenoten om geluk in één zin te vatten. Voor Spijkers is dat kerst, voor ’t Hart het lezen van een boek van de Engelse psychoanalyticus Adam Phillips en het voorlezen van de mooiste zinnen daaruit, Op de Beek houdt het op schoonheid en wijsheid, Launspach heeft een mooie volzin bedacht waarin het belangrijk is om in drukke tijden aanwezig te blijven in het moment. Spijkers mag nog een andere zin en slaat de spijker op de kop met de uitspraak dat geluk liefde is.  

Hier mijn recensie van Het beeld van Goethe, hier een fragment uit Geluk is voor de dommen, hier het artikel Psychoanalyse als poëzie van de hand van Kees ’t Hart in De Groene Amsterdammer van 14 februari 2004.