Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.

Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas.

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Johannes.



zondag 2 oktober 2011

In memoriam Hella Haasse, VPRO boeken, 2 oktober 2011


Hoedster en fee ineen.

De Vlaamse Monika van Paemel en Kees ’t Hart zijn bij Wim Brands aangeschoven om Hella Haasse te herdenken die een paar dagen geleden op 93-jarige leeftijd overleed. Brands laat eerst een fragment zien uit een documentaire Het vierde leven (2004) die Max Pam met haar maakte, waarin ze een zakje zand toont uit Djakarta, bedoeld om in het graf over de borst uit te strooien van de weggetrokken overleden Javanen zodat die toch onder de eigen aarde lagen. Haasse zegt tegen Pam dat ze niet denkt aan de dood, dat dat geen zin heeft. Ze merkt het wel. Ze wil gecremeerd, want vuur is schoner dan aarde.

Nadat Brands heeft vastgesteld dat ze monter oogt, toont Van Paemel, die Haasse vanaf het prille begin van haar schrijverschap kent, de jurk van batik waarvan zij de stof van Haasse kreeg.
Ze ziet op haar terug als een genereuze en humoristische dame, die grapjes maakte waarom ze moest giechelen. Haasse relativeerde het leven vanwege het landschap waar ze, als geboren Nederlands-Indische, uit vandaan kwam en het andere volk waartussen ze leefde. Als protestants meisje zat ze tussen katholieke op de meisjesschool. Kees ’t Hart vindt dat het landschap zeer aanwezig is in haar werk en dat haar landschapsbeschrijvingen geen mooischrijverij zijn, maar de spiegels van de ziel van haar personages.

Brands vraagt hem hoe het komt dat het zo lang duurde voordat de schrijfster van Oeroeg doorbrak. ’t Hart schaamt zich daar zelf ook voor: Oeroeg gaat veel verder dan de gebruikelijke uitleg over het verwerken van een verleden. Als hij daar meer over wil zeggen, breekt Brands hem schoolmeesterachtig af en begint over de grote drie, dat vreselijke cliché. ’t Hart meent dat ze daar niet tussen kwam omdat ze weliswaar ambitieus maar bescheiden was. Pas later ontdekte hij haar subtiliteit en literaire visie.

Van Paemel maakt een onderscheid tussen bewonderd en bemind worden. De ‘jongens’ werden opgeklopt door de pers, schreeuwden om het hardst, maar de lezers hielden van Haasse. Later werd ze vaak bekroond en haar werk is vertaald in achttien talen. Van Paemel zegt dat Haasse niet binnendijks dacht, omdat ze niet uit Nederland maar van de rest van de wereld kwam. ’t Hart voegt daaraan toe dat haar problematiek duidelijk Hollands is, zoals over man vrouw- relaties in haar psychologische romans als De verborgen bron. Ze put daarin uit eigen ervaring.  

Brands wil terug naar de tijd dat Haasse met haar broertje Wim naar Nederland kwam omdat hun moeder naar een sanatorium in Zwitserland moest. Later ging ze naar de toneelschool, maakte liedjes voor Wim Sonneveld, maar vond toneelspelen toch niet haar talent. Dat was het vertellen van verhalen. Ze was een prachtig spreekster, zegt Van Paemel. ’t Hart zegt dat ze gemakkelijk voor de vuist weg sprak.

Brands toont een tweede fragment uit de documentaire met Max Pam, waarin Haasse vertelt dat ze tijdens de oorlogsjaren geen contact had met haar ouders in Nederlands Indië en zich in Nederland een balling voelde. In Ik besta in wat ik schrijf vertelt ze over het belang van de fantasie. Van Paemel noemt die een vormgeven aan eenzaamheid. Haasse verloor ook nog een dochtertje. Volgens ’t Hart kon ze, door zich verankeren in de literatuur, de wereld op afstand houden. Die functie hadden ook haar sprookjes.

Brands refereert aan een artikel dat ’t Hart nog in de Groene Amsterdammer over Haasse gaat schrijven en haalt een laatste interview daarin met haar aan, waarin ze zegt dat ze niet meer kan schrijven, maar nog wel verhalen bedenkt, zoals ook het geval is in Het woud der verwachting. ’t Hart zegt dat Haasse de verbeelding gebruikt om een wereld te maken, hetgeen een kenmerk is van een geëngageerd schrijver.

Brands vermeldt dat ze het schreeuwerige en materialistische Nederland verliet voor Frankrijk. Haar   bevlogenheid werd niet begrepen. ’t Hart acht het kenmerkend voor haar literatuuropvatting dat ze niet zegt wat ze denkt of vindt, maar de methode van de omweg hanteert. Opinies worden bewust verpakt. Dat is haar stijl.

Van Paemel refereert aan een feministisch congres in Israël waarin Haasse niet van de hoogste toren blies maar zich als geëmancipeerd mens opstelde. ’t Hart verhaalt dat ze bij uitgeverij Querido eens aankondigde dat ze naakt de gracht in zou springen als Mulisch de Nobelprijs kreeg. Dat geeft ook haar visie weer. Van Paemel vindt dat ze de prijs verdiend had.
Brands zegt dat Mulisch nooit las als hij schreef, terwijl Haasse altijd veel las en het standpunt van Mulisch zielig vond. Ze had een andere houding. Ze verwerkte haar leeservaringen in haar werk.

Brands komt terug op de opvatting van Haasse over het huwelijk. Ze dacht daar anders over dan de ‘jongens.’ ’t Hart zegt dat ze, anders dan de laatsten, de verliefde fase oversloeg en zich verdiepte in het samenzijn als de slijtage toeslaat. Hij zegt dat het deels autobiografsch is. Ze was zeer te spreken over Au Pair van Willem Frederik Hermans die over de verhouding van Paulina op latere leeftijd gaat. Van Paemel zegt dat Haasse over volwassen relaties schrijft, waarin het van belang is de verbinding te handhaven en het een kunst is om met de ander door te gaan.

Brands vraagt of zij zich bewust was van het andere perspectief? Van Paemel zegt dat Haasse een knappe vrouw was, maar dat ze had gekozen voor het huwelijk en daar voor ging. Brands noemt Het flonkeren van de stroom van ’t Hart in de bundel Een nieuwer firmament (2006). Dit essay gaat over de magie en het vrouwbeeld in het werk van Haasse en zij vond het een schot in de roos. ’t Hart zegt dat de toverplaatjes zoals in het begin van Oeroeg voortdurend in haar werk opduiken. Ooit vertelde ze Anthony Mertens over de fee en de ganzenhoedster die beiden in haar werk zichtbaar zijn. Van Paemel sluit zich daarbij aan. Als vrouw had ze een verzorgende taak, maar ze was tegelijk een ondeugende fee.

Dat zij moge rusten in vrede.  

Meer op de website Hella Haase  

1 opmerking:

  1. De prachtige gesprekken die Anthony Mertens in 2002 met Hella Haasse in de trein naar Grenoble voerde zijn als pfd te downloaden op boekboek:
    http://www.boekboek.nl/boekboek/show/id=45528

    BeantwoordenVerwijderen